vrijdag 27 januari 2017

De Globaliseringsparadox - van auteur Dani Rodrik

Maandag 20 februari om 14:00 uur in Amsterdam bespreekt BoekWorc:
De Globaliseringsparadox - van auteur Dani Rodrik (2015).

Het boek is een vertaling van ‘The globalization paradox: democracy and the future of the world economy’ (2011).

Auteur Dani Rodrik is hoogleraar Internationale Politieke Economie aan Harvard University.

Meedoen? De Boekworc groep bestaat uit 6 vaste leden. Als je benieuwd bent naar dit specifieke boek, dan ben je welkom om (ook eenmalig) mee te doen. We verwachten dan dat je het boek hebt gelezen. Je kunt je aanmelden tot 16 februari bij Margo Kooijman, margo.kooijman@ziggo.nl

dinsdag 10 januari 2017

International Aid and the Making of a Better World - Boekworc discussie

Boekworc bespreking 19 december 2016 over:
Rosalind Eyben - Internatioanl Aid and the Making of a Better World
(2014, Uitgeverij Routledge)

Het boek is een professionele autobiografie: de schrijfster beschrijft haar levensloop aan de hand van de ideeën die ze heeft ontwikkeld tijdens de verschillende functies die ze vervulde. Afkomstig uit een orthodox communistisch nest studeerde ze antropologie, werd door haar huwelijk ´dependent huisvrouw´ van een neokoloniaal opererende ont­wikkelingswerker in een aantal Belgische en Franse ex-koloniën, functioneerde daarna een aantal jaren als consultant voor verschillende multilaterale organisaties, daarna als beleidsmedewerkster bij DfID, en tenslotte als weten­schappelijk medewerkster bij het ODI (Overseas Development Institute).

Kritische reflectie en sociale ontwikkeling
Het centrale thema van haar werk was het propageren en toepassen van sociale ontwik­kelingsmethoden, als tegenhanger van louter economische ontwikkeling. Deze carrière beschrijft ze tegen de achtergrond van de evolutie van het ontwikkelingsdenken vanaf het begin van de OS tot heden. Ze gebruikt hiervoor de kritisch-reflexieve methode, die in het kort inhoudt dat je niet alleen ervaringskennis en theorieën ge­bruikt om de proble­men op te lossen die je beroepsmatig tegenkomt, maar dat je je ook telkens rekenschap geeft van het waarom van die keuzen vanuit je persoonlijke levensideologie. Zo kom je tot een professio­neel zelfinzicht dat je beschermt tegen de vele valkuilen die zich bij het bedrijven van OS voordoen.

'Weten en niet-weten' contradictie
Omdat Eyben zich met deze reflexieve methode dwingt om uiterst zelfkritisch te zijn, zijn we er getuige van dat ze zich niet geheel van een Engels-imperiale ballast heeft kunnen ontdoen bij het nastreven van sociale ontwikkeling in de vele landen waar ze langer of korter werkzaam is. Dat is één van de aspecten van haar beroepsuitoefening waar er van contradicties sprake is.
Belangwekkender voor ons als ontwikkelingswerkers is de hoofd contradictie die in haar leven speelt: Dat is die van het weten en het niet weten. Ze ziet een gelijkenis tussen haar ouders die het uit idea­lisme veel te lang met hun geweten op een akkoordje gooiden ten aanzien van de misdaden van Stalin, en haar eigen bedrijven van OS vanuit allerlei gelijkheids-, rechts- en demo­cratiseringsidealen terwijl de institutie van waaruit ze werkt dingen van haar eist die daarmee in tegenspraak zijn. Sterker nog, als ze bij DfID werkt introduceert ze zelf de sociale ontwikkelingsgedachte (rechtenbenadering, emancipatie, participatie) met politiek manipulatieve methoden waar ze zich ach­teraf voor geneert. Ze heeft er echter wel succes mee want ze krijgt overal in het ministe­rie mensen geplaatst die haar visie delen.

Als ze velddirecteur DfID-Bolivia is merkt ze van zichzelf dat ze -alweer- veel te veel tegen de macht aankruipt en haar doelgroepen en hun rechten uit het oog aan het verliezen is. Ze gaat zich dan activistischer opstellen -en dat betekent het einde van haar aanstelling.

Van resultaatgericht naar procesgericht en eigenaarschap
Ze is zich haar hele loopbaan sterk bewust van de tegenstelling tussen de steeds toene­mende tendens tot resultaatgerichtheid, en het bereiken van werkelijk eigenaarschap. Het centrum van de macht (DfID, het Ministerie voor OS) eist steeds stringentere rekenschap en verantwoording vanuit het veld. De vooraf gestelde resultaten moeten binnen een afzienbare tijdsmarge worden bereikt, anders geldt het als programma mislukt. Als je echter wilt dat je doelgroep werkelijk eigenaar van zijn eigen ontwikkeling is, moet je diens 'proces': levensritme, sociale context, probleemdefini­tie, oplossingskeuzen, en methoden respecteren. De gepropageerde 'best practices' zijn dan per definitie een slag in de lucht. En als je, zoals het officiële beleid het wil zien, het eige­naar­schap via budgetsteun in handen van het lokale regime legt, loop je kans dat dit regime in de ogen van jouw doelgroepen iedere legitimiteit mist. Die heb­ben dan reacties als: toen jullie nog projecten deden zagen we jullie nog wel eens in het veld en gebeurde er iets in de dorpen; nu blijven jullie op kantoor in de hoofdstad zitten en geven jullie het geld aan die dieven.

Ze ziet ditzelfde contradictorische proces zich ook afspelen binnen de eigen institutie. Onder het mom van eigenaarschap wordt er niet meer vanuit het centrum (het Ministerie van OS) bestuurd, maar worden er overal veldkantoren opgezet. Omdat het centrum de na­tuurlijke reflex heeft tot inkrimping van het personeel en tegelijk tot wantrouwen van wat er zich te velde afspeelt, worden de veldkantoren aan stringente controles onderworpen, zodat het personeel vanwege het vele papierwerk de hoofdstad niet meer uitkomen. Het personeelsbestand in het veld krimpt dus, maar in het ministerie blijft het gelijk of dijt uit want de controles moeten gecontroleerd worden. Centraliseren door te decentraliseren. Dit kwam ons zeer bekend voor.

Tegengestelde belangen en de rol van ontwikkelingswerkers
Belangwekkend is ook haar inzicht dat er een verschil is tussen 'gecompliceerde' en 'com­plexe' ontwikkelingsproblemen. Bij de eerste kan je resultaatgericht, volgens recepten en logframes werken, omdat de uitgangsgegevens ('baseline') en de eindresultaten wel min of meer vast liggen. Maar bij complexe problemen moeten de subjecten zelf proberen de beginsituatie te definiëren, evenals de tussen- en einddoelen, en de daarbij te gebruiken methoden. Er zijn veel te veel interacterende factoren die de ontwikkelingswerker onmo­gelijk allemaal kan overzien. Hij/zij heeft daarbij op zijn best de fameuze 'katalyserende' rol.

Aan het einde van haar carrière trekt ze de conclusie dat je deze contradicties alleen kan overwinnen door je steeds te bezien vanuit de blik van de ander, en er zo achter te komen dat je eigen goede bedoelingen veelal heel anders, en minder complimenteus worden waargenomen. Als Europeaan blijf je de imperiale ballast houden, hoezeer je ook zelf denkt daarvan verlost te zijn. Op dat inzicht moet je je acties baseren, en dat leidt tot het stre­ven naar kleine stapjes waarin je afziet van 'het betere' om 'het goede' zeker te stellen: 'small wins'. Daarbij moet je inzien dat het lot van de ontwikkelingswerker is om de pro­cesmatige be­nadering die je in het veld probeert te praktiseren aan je werkgever als resul­taatgericht (lees 'logframe-achtig') te verkopen. 'Subversive accomodation' noemt ze dit.

'Reflexieve praktijk' en streven naar sociale rechtvaardigheid
Juist diegenen onder de Boekworcers die beleidsfuncties hebben vervuld was Eyben's boek een feest der herkenning. Ook leidde het tot persoonlijk gewetensonderzoek: van­uit welke persoonlijke en professionele ideologieën werken we eigenlijk. De conclusie was dat het werken vanuit een soort filantropische of empathische motivatie onvol­doende is. Het gaat inderdaad om een streven naar sociale rechtvaardigheid, net als Eyben belijdt. Het verbaasde dan ook dat zij tijdens een bezoek aan Burundi sugge­reert dat in dit land veel effectiever sociale ontwikkeling wordt bereikt dan in buurland Rwanda.

Ook constateerden wij dat ze geen bevredigend antwoord kon geven op de door haarzelf gestelde vraag wat het vervagen van de grens tussen de ontwikkelde en de ontwikkelings-wereld voor de ontwikkelingspraktijk nu eigenlijk betekent.
Dit boek is pittige kost, maar geeft bij nauwkeurige lezing zijn zeer waardevolle inzichten prijs.

Discussie door: Erik, Gerrit, Karel en Margo
Verslag: Erik van der Sleen

International Aid and the Making of a Better World - boekbespreking

Dit boek is een persoonlijk verslag van de ervaringen van een ontwikkelingsdeskundige en tegelijk een ernstige poging om te zoeken naar wat de kern kan zijn van ontwikkelingswerk. Speelt ontwikkelingssamenwerking een rol in het beter maken van de wereld? Het blijft een vraag. De verdienste van de auteur bestaat erin die vraag langs allerlei kanten te onderzoeken, inclusief haar persoonlijk verhaal.

International Aid and the making of a better World - Reflexive Practice

auteur: Rosalind Eyben
uitgeverij: Routledge (2014) ISBN 9780415656733 

De auteur en haar achtergrond
Eyben komt uit een Marxistisch gezin in Engeland. Haar ouders verdedigden het communisme, maar op school hoorde zij een ander geluid, dat communist zijn verkeerd was. Daaruit is haar ambivalentie gegroeid ten aan zien van doctrines en politieke systemen. Toen de muur van Berlijn viel bleek een heel andere realiteit dan dat waarvoor haar ouders hadden gestreden.

Zij studeerde af in antropologie. Haar eerste kennismaking met de ontwikkelingswereld had plaats in de vorm van veldwerk in Burundi, een scriptie over Hutus en Tutsi’s. Eyben is eigenlijk vrij laat uit het comfort van een koloniaal of post-koloniaal leventje gestapt: zij verbleef zij als echtgenote in Congo, Benin, Sudan. Dit is haar soms op enigszins arrogante manier geformuleerde boodschap: dat we goed moeten nadenken over wat en hoe we bezig zijn: “I am still struggling to understand my own motives and why for so long I have wanted to do good somewhere else than at home” (pag 161).

Later kreeg ze een baan in het Britse ministerie voor OS. Daar werkte zij zich op tot het hoofd van de afdeling Sociale Ontwikkeling. Na een verblijf in Bolivia begon tenslotte een loopbaan van onderzoek en onderwijs in ontwikkelingsvraagstukken.

Van bouwen, naar armoedebestrijding...
Haar boek is een verslag van haar zoektochten in die landen en ook van de veelheid van theorieën en paradigma ’s waarmee de auteur in de “ontwikkelingswereld” te maken had. Zij vertelt hoe ontwikkelingssamenwerking eerst het domein was van ingenieurs en technici die in arme landen wegen en scholen bouwden. Toen kwamen de economen die nadachten over armoede en rijkdom. Hoe kom je weg uit armoede? Armoedereductie werd de grote slogan en langdurig de modeterm bij uitstek, van de Wereldbank tot de kleine NGO.

Eyben beschrijft met Britse humor hoe zij zich onttrok uit het “economisme” en een afdeling sociale zaken hielp op richten in DFID. Daar moest zij zich verantwoorden met meetbare eenheden, met gedegen onderzoeksmethoden. Het heeft lang geduurd eer de “chief social adviser” op gelijke voet stond met de “chief economist” (pag.91).

... naar sociale rechtvaardigheid
Het uiteindelijke doel van ontwikkelingssamenwerking, schrijft zij, is niet alleen armoede verminderen maar ook positief bijdragen aan sociale rechtvaardigheid in de wereld. Auteurs als Bob Deacon en anderen hielpen haar om concepten van sociale rechtvaardigheid hard te maken (pag 103). Sociale rechtvaardigheid is een veel meer diepgaand proces dan het inbrengen van sociaal dienstbetoon in een samenleving.

Politieke en historische context
Zo komt zij langs een hele omweg, na de val van de muur van Berlijn en van de Sovjet unie, toch weer terecht bij de idealen van haar ouders. Al hadden zij zich grondig vergist in hun politieke keuze, toch was hun drijfveer voor haar betekenisvol. Tegelijk hielp dit hele complexe proces van diepgaande economisch-politieke veranderingen haar om de relativiteit van ideologie te zien en voortdurend te blijven zoeken in “nadenkende praktijk” (vandaar de ondertitel van het boek).

Een van haar inzichten heeft betrekking op het belang van geschiedenis en machtsuitoefening. Wie geen rekening wil houden met de koloniale voorgeschiedenis enerzijds, met machtsmisbruik anderzijds, kan moeilijk begrijpen wat er in een aantal landen echt aan de hand is. Een pakkende passage in het boek is haar onverwacht snelle vertrek uit een receptie bij de Wereldbank vertegenwoordiger in Bolivia. Plots wordt zij overmand door schaamte over de manier waarop expats en ontwikkelingsexperten gezellig champagne drinken met elkaar. Zij heeft het bepaald moeilijk met vergaderingen over armoedereductie terwijl buiten op straat de mijnwerkers hard demonstreren tegen de regering en uiteen geslagen worden.

Op het einde van het boek komt zij terug in Burundi- in 2012 of daarrond. Zij is vreemd genoeg enthousiast over de vrijheid aldaar. Burundi is een democratie “favourably comparing with the authoritarian regime in neighbouring Rwanda”, dat schrijft ze op pag 171. Net terug uit Burundi en Rwanda kan ik zelf helaas volstrekt niet meegaan met deze analyse. Eyben vergist zich hier deerlijk, denk ik, na wat ik daar gezien en meegemaakt heb. Maar laat ik ook op mijn beurt voorzichtig zijn.

Inzicht, analyse en reflexieve praktijk
Reflexieve praktijk, daar komt ze op uit. Dat is wat we nodig hebben, meer dan dat kunnen wij als spelers in het spel van de internationale samenwerking eigenlijk niet doen. In het slothoofdstuk komt de vraag over de mogelijkheid van betere wereld aan bod. Dat kan als we maar genoeg inzicht hebben in onze eigen motieven en in de eerste plaats ons zelf begrijpen. Een wijze les van dit boek, een verademing in de veelheid van meestal kurkdroge onpersoonlijke analyses omtrent ontwikkelingsvraagstukken.

Boekbespreking - Karel van Hoestenberghe, december 2016

dinsdag 13 september 2016

Ubuntu en Nelson Mandela - boekbespreking

Boekworc bespreking 6 september 2016 over:
Henk Haenen: Ubuntu en Nelson Mandela. Afrikaanse filosofie van verzoening
(2016, Uitgeverij Damon)

Karel van Hoestenberghe heeft een degelijke samenvatting met enkele beschouwingen geschreven. Het verdient aanbeveling deze eerst te lezen alvorens aan dit verslag te beginnen, zie hier.

De discussie binnen de Boekworc groep werd gevoerd op basis van wat ons het meest heeft geraakt bij het lezen van dit boek: wat was een nieuw inzicht, heeft de Ubuntu filosofie bewust of onbewust een rol gespeeld bij ons werk en kunnen we er nu lessen uit trekken?

Ubuntu: Gemeenschapsgevoel en palaveren om conflicten te overwinnen
De basisprincipes van Ubuntu: Het gemeenschapsgevoel, het overwinnen van conflicten door middel van het palaver en het langdurige spreken, het oplossen van heftige conflictsituaties door de haat te om te zetten in positieve energie en het onderdeel te laten zijn van een doorlopende sociale dynamiek, zijn alle zaken die we herkennen uit ons eigen werk. Het gaat anders dan het oplossen van conflicten door een uitruil van belangen, zoals we in onze samenleving vaak zien.

Bezinning, verzoening en de keerzijde
Ubuntu is een ethisch kompas en een bezinning op het leven. De Afrikaanse capaciteit tot verzoening die eruit voortkomt heeft onze bewondering, zeker als het gaat om de manier waarop Nelson Mandela dit aan de wereld heeft gedemonstreerd. Maar we zijn niet blind voor de nadelen van dit gemeenschapsgevoel en het zwakker ontwikkelde individualisme: het conformisme en de vaak verstikkende familie- en tribale verplichtingen. Gemeenschapsgevoel is een tweesnijdend zwaard: waar de gemeenschap ophoudt kan door strijd om schaarse middelen na-ijver en vijandschap ontstaan en bloedige tribale conflicten.

Haenen heeft de neiging om dit te veronachtzamen; er hangt over het boek een sluier van negatieve generalisaties over 'het Westen' en positieve generalisaties over 'Afrika'. Dat verzwakt zijn betoog. De negatieve stereotyperingen die hij geeft over het Westen, hoe begrijpelijk ook tegen de achtergrond van de Apartheid, doen de Europese rechts- en verzorgingsstaten tekort. Al mogen we niet zeggen dat de grimmige praktijk van het actuele Afrika per sé in strijd is met de levensleer van Ubuntu. Net als b.v. het Christendom is Ubuntu een nobel streven, geen eindtoestand.

Recht kan onrechtvaardig zijn
Het boek maakt dat we ons iets realiseren dat we soms vergeten: dat het mogelijk is dat het recht onrechtvaardig is. De Apartheidsstaat in Zuid Afrika was daar bij uitstek een voorbeeld van. De Europese overheersing speelde de hoofdrol in het onrechtvaardig maken van het door hen opgestelde recht. Deze methode is helaas ook gebruikt door Afrikaanse potentaten zoals Mobutu die naar eigen zeggen dezelfde methoden gebruikte als Leopold II. De sterkere minacht en onderdrukt de zwakkere en vindt dat vanzelfsprekend. Dat dit een oude en sterke onderstroom is in onze cultuur wordt wel aangetoond door de inzichten over slavernij en de Afrikaan van een aantal grote Europese verlichtingsfilosofen. Het minste wat we kunnen doen is dit onder ogen te zien en ons ervan te ontdoen. Al is het een cliché: net als er slechte en goede Europeanen zijn, zijn er slechte en goede Afrikanen.

Werkstraf - Ubuntu levensvisie in de westerse rechtsgang
Mandela was jurist en dat is te herkennen in de wijze waarop hij de Ubuntu levenswijze in het recht gerealiseerd zag. Criminaliteit wordt gezien als de doorbreking van de gemeenschapsharmonie. De veroordeelde crimineel wordt niet uit zijn gemeenschap gestoten, maar de gemeenschap wordt ingeschakeld om de harmonie weer te herstellen, op basis van de oprechte bekentenis. Dit werd bijvoorbeeld in praktijk gebracht via de Waarheids- en Verzoeningscommissie. In verschillende post-conflictsituaties ter wereld is dit voorbeeld overgenomen. Iets daarvan krijgt langzamerhand ook plaats in de westerse rechtsgang, via de werkstraf ten bate van de gemeenschap en de mogelijkheid om slachtoffers en daders met elkaar te confronteren en verzoenen. Zo zie je maar dat het niet alleen muzikale invloeden zijn die vanuit Afrika de weg naar de rest van de wereld vinden.

De Ubuntu levensvisie is in overeenstemming met de opvatting van Amartya Sen: wat we vooral kunnen doen is proberen een onrechtvaardige wereld iets rechtvaardiger te maken. Dat is Mandela gelukt op politiek gebied – niet echt op economisch vlak. De 'distributieve rechtvaardigheid' is in Zuid Afrika nog veraf.

Een los eind in de discussie was de vraag of de Ubuntu-visie een rol heeft gespeeld in de Zuidelijk Afrika beweging in de 60-er en 70-er jaren. Daarover hadden we geen herinnering, wel over de nadruk die er gelegd werd op de gruwelijke situatie en navenante problemen.

De indruk die het boek na lezing achterlaat is, dat het gebaat zou zijn geweest bij een goede redactie: er staan te veel herhalingen in. En de citaten van de filosoof Ramose, waarop Haenen zijn omschrijving van Ubuntu grotendeels baseert mogen dan zeer poëtisch zijn, ze zijn soms moeilijk te begrijpen.

Boekbespreking door: Erik, Margo, Gabrielle, Gerrit en Karel 
Verslag: Erik van der Sleen

Ubuntu en Nelson Mandela - enkele kanttekeningen

Ubuntu en Nelson Mandela. Afrikaanse filosofie van verzoening

Auteur: Henk Haenen
Uitgeverij Damon, 2016
ISBN 978 94 6036 224 8, 293 pag.

Dit boek bestaat uit twee delen. Eerst een filosofische verkenning van wat Ubuntu is, wat het betekent in de Afrikaanse samenlevingen en hoe het zich verhoudt met andere filosofische paradigma ’s en denkbeelden. Daarna volgt in het tweede deel een bespreking van de strijd van Mandela tegen apartheid en wat de Ubuntu filosofie betekend heeft voor deze strijd, vanaf zijn jeugd en veroordeling tot de succesvolle vrije verkiezingen in Zuid Afrika in 1994.

Twee filosofen komen sterk naar voor in dit werk. Kimmerle in de eerste plaats, de Duitse hoogleraar die in Rotterdam aan de Erasmus universiteit vergelijkende filosofie doceerde met nadruk op interculturele verbanden. Zijn kritiek op Hegel en het eurocentrisme zit stevig in elkaar. Daarnaast de Afrikaanse filosoof Ramose en zijn standaardwerk “African Philosophy through Ubuntu” , waarin de sterke verbondenheid tussen mens en gemeenschap, eigen aan Ubuntu, helder verwoord wordt. Ramose vertelt op soms poëtische wijze waar het om gaat bij Ubuntu.

Wat is Ubuntu?

In de definitie van Ramose komen twee begrippen, Umu en Ntu, bij elkaar. Het gaat om mens zijn als geheel door een combinatie van de bezielde en bezieling biedende persoon. Ubuntu verwijst naar verbinding, naar wisselwerking tussen mens en omgeving, naar verbinding tussen verleden, heden en toekomst. Het verschil met de meeste typisch westerse filosofische denkbeelden bestaat in een grotere nadruk op gemeenschapszin in het Ubuntu denken.

Het “wij” staat centraal, Ubuntu heeft een breder uitgangspunt in de tijd in vergelijking met de typisch westerse filosofie. Levende doden, levenden en nog niet-geborenen horen bij elkaar, zijn samen, verbonden. Die tijdsvisie heeft ook een ruimtelijke component, mens en natuur zijn namelijk ook samen en verbonden. Palaveren tot er een consensus ontstaat hoort daarbij.

De Ubuntu filosofie is volgens dit boek de dragende kracht geweest voor de strijd die Mandela gevoerd heeft en ook voor de verzoening die hij daarna tot stand bracht. “Ubuntu werd door Mandela als een samenhangende set van levensprincipes opgevat, waarmee hij zelf nieuwe vormen creëerde in politieke en maatschappelijke visie en praktijk”.(pag.159).

Een typisch voorbeeld van die gemeenschapszin blijkt uit het gedrag van Mandela na zijn vrijlating. Hij heeft telkens weer getracht zijn medestrijders van het ANC te informeren en te betrekken bij de moeilijke onderhandelingen met het apartheidsregime die hij zelf moest voeren. Soms viel hem dat zwaar en bereikte hij de grens van de gemeenschapszin. Dan moest hij op eigen kompas varen.

Recht en rechtvaardigheid

De auteur biedt in het boek ook uitgebreid aandacht aan de invloed van Ubuntu op vraagstukken van juridische aard zoals de rechtsvorming die nodig was om een nieuwe staat in te richten na de apartheid. De jurist Mandela was doordrongen van een besef van het nut van degelijke juridische kaders en tegelijk van het noodzakelijke streven naar rechtvaardigheid waarbij bestaande kaders moesten doorbroken worden.

Opkomen tegen apartheid stond voor hem gelijk met vechten voor mensenrechten. Zijn besef van hogere waarden in het recht bracht Mandela naar de strijd voor een meer rechtvaardige samenleving over grenzen van talen, groepen, volkeren heen. Dat zou nooit lukken zonder echte, gewapende en georganiseerde strijd. Daar koos hij voor, hij werd veroordeeld, en was gedurende 27 jaar een gevangene.

In die tijd heeft hij zijn opvattingen over een rechtvaardige samenleving onderzocht . Het betekende voor hem dat alle inwoners van Zuid Afrika een gelijke behandeling verdienen. Ubuntu is daarbij het ethisch kompas, de bezieling die nodig was om nieuwe staatsstructuren te bedenken. En werd bovendien een onmisbare baken om na de verkiezing de waarheids- en verzoeningscommissie te installeren. De manier waarop een eigen-aardige verzoening tot stand kwam in Zuid Afrika was het logische gevolg van het gemeenschap denken, zo stelt de auteur van dit boek het.

Enkele kritische noten

Dit boek inspireert, doet nadenken, belicht weinig gekende aspecten van Ubuntu als Afrikaanse levensbeschouwing en het impact daarvan. Het boek heeft ook zwakke kanten. Het is soms houterig geredigeerd en mist een zwierige schrijfstijl. Met de hulp van een vlotte eindredacteur zou dit boek veel meer lezers kunnen bereiken.

Inhoudelijk wordt het debat degelijk gevoerd, maar soms klinkt de tegenstelling tussen Afrikaans denken en handelen en Westers denken en handelen wat stereotiep. Starheid, geweld, onverdraagzaamheid, collectief egoïsme komt overal voor waar mensen zijn en zijn niet alleen eigen aan kolonialisme en apartheid. Ook in Afrika zijn vandaag leiders en regimes aan de macht die met geweld overeind blijven. Ubuntu is een ideaal, een wijze manier van mens zijn, een inspiratiebron, maar waar in Afrika wordt daar echt naar geluisterd?

Mandela deed het wel, dat is de centrale stelling van het boek. Maar is Mandela niet in wezen een wijze en verdraagzame, rechtschapen en krachtige persoonlijkheid geweest, zoals Martin Luther King en Gandhi en nog vele anderen dat ook waren en zijn? Misschien is de betekenis van de Ubuntu filosofie in essentie een Afrikaanse verwijzing naar mede menselijkheid, naar humanisme en universele mensenrechten die overal ter wereld zichtbaar zijn voor wie ze wil zien.

Blogpost door Karel van Hoestenberghe

maandag 25 juli 2016

BoekWorc over Afrikaanse filosofie van verzoening

Op dinsdag 6 september bespreekt BoekWorc :

Ubuntu en Nelson Mandela - Afrikaanse filosofie van verzoening
Auteur: Henk Haenen
Uitgeverij Damon, 2016

Contact en aanmelden: Karel van Hoestenberghe

Details:  Uitgeverij Damon

dinsdag 17 mei 2016

Discussie met de auteur van 'Heineken in Afrika'


Op 20 april 2016 presenteerde Olivier van Beemen bij boekhandel Van Pampus in Amsterdam zijn boek 'Heineken in Afrika'. Hij vertelde over zijn onderzoek en de achtergronden van zijn bevindingen.

Heineken, de Nederlandse bierbrouwer, heeft zich sinds de vorige eeuw in meer dan 20 landen in Afrika gevestigd en bestuurt direct of in partnerschap een vijftigtal brouwerijen op dat continent. Van Beemen kreeg het idee voor dit boek toen hij in Tunesië verslag deed van de Jasmijnrevolutie in 2011. Hij ontdekte daar bij toeval dat Heineken zich had verbonden aan de clan van de machthebbers, om zo hopelijk snel tot de markt te kunnen toetreden.

Hoge winst op bier in Afrika
Sinds de jaren vijftig was de bieromzet in Afrika goed voor een kwart van de totale bierproductie en twintig procent van de wereldwijde winst van Heineken. De winst op bier ligt in Afrika ongeveer 50% hoger dan in de rest van de wereld. Dat is mogelijk omdat er ten eerste weinig concurrentie in Afrika is. De top-drie brouwers in Afrika hebben 93 procent van de markt. Zij kunnen zo gemakkelijk prijsafspraken maken. Verder zijn de personeelskosten natuurlijk lager in Afrika en worden er ter besparing ook steeds meer banen uitbesteed. Ook worden grondstoffen vaak betrokken van externe dochterondernemingen, die hoge prijzen rekenen. Zodoende zijn de winstmarges in Afrika veel hoger dan in Europa. De officiële reclamecode van het bedrijf wordt in Afrika regelmatig overschreden, waardoor hogere omzet behaald kan worden.

MVO via de Heineken Africa Foundation
Maatschappelijk verantwoord ondernemen is ook voor Heineken een essentieel deel van de onderneming. Bedrijven kunnen iets goeds doen door het uitoefenen van hun economische activiteiten en er is geen subsidie nodig om iets tot stand te brengen wat aansluit bij de markt. Echter, veel bedrijven willen meer: iets terug doen voor de bevolking en de aarde, tevens ter (mede)rechtvaardiging van hun activiteiten. De bijbehorende term is 'From Aid to Trade'. Heineken zelf zou deze nevenactiviteiten niet fundamenteel vinden: Je zou de grens tussen de onderneming en een ontwikkelingsorganisatie kunnen overschrijden. Toch hebben zij in 2007 de 'Heineken Africa Foundation' opgericht, die juist dat soort projectjes uitvoert die de hulpsector jarenlang heeft verricht.

Na de boekpresentatie door de auteur werd er levendig gediscussieerd aan de hand van de volgende drie stellingen:

Stelling 1 : Investeringen van Nederlandse bedrijven in Afrika zijn belangrijk voor Afrika en voor die bedrijven (werk, inkomen, groei).

Volgens Heineken leveren hun bedrijven een positieve bijdrage aan Afrika. Dit werd door de auteur anders ervaren. Hij noemde een aantal redenen: Veel van de grondstoffen voor de bierproductie worden uit het buitenland betrokken, vaak bij externe dochterondernemingen van Heineken die daardoor veel winst maken. Het zou i.v.m. belastingheffing en werkgelegenheid beter voor de landen zijn deze zo veel mogelijk lokaal aan te schaffen.

Positief effect op de economie is dat er een hoeveelheid banen wordt gecreëerd en een bepaalde continuïteit die de onderneming verschaft. Hier tegenover staat dat de brouwer vrij recent een aantal lokale bedrijven in Ethiopië heeft opgekocht en gesaneerd. Het productieproces werd vernieuwd en geoptimaliseerd. Hierbij gingen ± 800 arbeidsplaatsen verloren. Het is niet duidelijk of Heinekens activiteiten leiden tot een grotere bedrijvigheid door andere bedrijven. Als dit al zo is, dan is dit vrij kleinschalig.

De pensioenvoorzieningen en opleidingskansen, die Heineken aan zijn vaste medewerkers biedt, geven hen wèl de kans om een eigen onderneming op te zetten, wat goed is voor de economie in het algemeen. Ook biedt de brouwer medische verzorging (o.a. voorziening van HIV/Aidsremmers) aan het vaste personeel; maar dit geldt niet voor interim- of uitzendkrachten behoudens in geval van ongelukken.

Men kan stellen dat de negatieve gevolgen van de consumptie van grote hoeveelheden alcohol de landen meer kost dan het opbrengt, zij het indirect en moeilijk te meten. In Afrikaanse landen worden dit soort economische onderzoeken weinig of niet onafhankelijk uitgevoerd en als er al gegevens beschikbaar zijn, dan worden die geleverd door de ondernemingen zelf, met daaraan natuurlijk hun eigen tintje.

Heineken betaalt onvermijdelijk veel accijns aan de overheden in de verschillende landen, wat bijdraagt aan de economie. Een onoverkomelijk minpunt hierbij is, dat het die overheden natuurlijk vrij staat met dit geld te doen wat zij willen b.v. het kopen van wapens en/of financieren van politie/leger, wat soms kan leiden tot schendingen van de mensenrechten.

Vaak zijn plaatselijke overheidsdienaren aandeelhouders in Heineken’s lokale bedrijven, waardoor Heineken een invloed kan doen gelden bij de politiek, en andersom heeft de politiek invloed in de bedrijven.

Stelling 2 : Bij de investeringen van Nederlandse bedrijven in Afrika zouden specifieke beleidsmaatregelen en kosten nodig zijn die te maken hebben met de zwakke omgeving. Daarbij kunnen NGO’s een rol spelen.

Er wordt binnen het huidige Nederlandse ontwikkelingsbeleid aangedrongen op meer handel, en dus meer inzet van het bedrijfsleven, als aanjager van ontwikkeling. In principe sluit een bedrijf aan op de bestaande markt. NGO’s kunnen een waakhondfunctie hebben en aan de bel trekken als een bedrijf over de schreef gaat.

Er wordt een voorbeeld gegeven waarbij er gestreefd wordt naar samenwerking tussen lokale boeren en de brouwer. Dit is een aardig idee. Het zou een stabiele afzetmarkt voor lokale landbouwproducten kunnen geven. NGO’s kunnen hun ervaring met boeren ten dienste gaan stellen van dit samenwerkingsproces, bijvoorbeeld om boeren te helpen lokale ingrediënten te verbouwen. Echter, dit heeft ook zijn risico’s. De brouwer is leidend in deze samenwerking. Het commercieel belang en beleid staan altijd op de eerste plaats. Als elders de grondstoffen toch goedkoper blijken te zijn, dan schromen zij niet om de boeren te laten vallen. Ook de NGO’s zullen dan hun geloofwaardigheid verliezen.

De lobbykracht van een bedrijf als Heineken is groot, zelfs in Nederland. Vergunningen zijn nodig, belastingen worden betaald, wat zeker in Afrika activiteiten achter de schermen zal doen plaats hebben, die misschien niet allemaal door de beugel kunnen.

Stelling 3 : Nederlandse bedrijven moeten niet alleen legaal opereren maar ook ethisch verantwoord handelen.

Dat Nederlandse ondernemingen legaal moeten opereren en hun beleid ethisch verantwoord moet zijn spreekt voor zich. Uitbuiting moet worden vermeden. Dat neemt niet weg dat Afrikaanse overheden hun zaken ook op orde moeten hebben.

Door het uitbesteden van werk kunnen externe bedrijven die een deel van de taken binnen de brouwerijen te doen hebben gekregen, de mogelijkheid hebben tot uitbuiting. Hier zouden Nederlandse bedrijven kunnen verbeteren, ook al zou dit voor een deel ten koste gaan van de winst.

Heineken krijgt daarom ook een goede raad van de aanwezigen mee: Om een duurzaam personeelsbeleid te voeren zou het voor de onderneming raadzaam zijn personeel in vaste dienst te hebben en minder extern personeel via bureaus te gebruiken.

Er wordt gezegd dat ethisch ondernemen zich dient af te spelen op de bedrijfsvloer, zonder zich te bemoeien met overheidszaken. Er wordt een voorbeeld gegeven waarbij het bedrijf zich richt op taken die eigenlijk “des overheids” zijn, zoals voorlichting over de nadelige effecten van alcoholgebruik op de samenleving. Dit is een moeilijke spagaat voor het bedrijfsleven. Commerciële interesses en belangen kunnen een onder- of zelf boventoon spelen.

Conclusie
Hierboven werd al aangegeven dat economisch onderzoek en statistieken in Afrika meestal zwak zijn. De gegevens die wel bestaan komen vaak van de bedrijven zelf, die er geen belang bij hebben zichzelf in een slecht daglicht te plaatsen.
Als algemene conclusie van de auteur en van de discussie in de zaal komt naar voren dat het duidelijk is dat de onderneming in zekere mate bijdraagt aan de economische ontwikkeling van Afrika. Echter het succes van de bierindustrie staat netto gezien de ontwikkeling van Afrika in de weg.

verslag: Gerrit van de Klashorst, Margo Kooijman en Karel van Hoestenberghe, BoekWorc